Conclusie A-G mr. Knigge tegen zinloze beslagen

Conclusie A-G mr. Knigge (ECLI:NL:PHR:2015:2368)

Art. 552a Sv maakt deel uit van een stelsel van waarborgen dat beoogt te voorkomen dat voorwerpen naar willekeur in beslag worden genomen en gehouden. Zaken als de onderhavige lijken de bange twijfel te bevestigen dat dit stelsel niet naar behoren functioneert. Dat begint al bij de inbeslagneming zelf. Niet alleen is het de vraag of er ten tijde van die inbeslagneming wel een redelijk vermoeden van schuld aanwezig was, de vraag is ook of het beslag niet op oneigenlijke gronden is gelegd. Waarom het, gelet op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, nodig was om de vaten met diesel, het lege vat en het geld ten behoeve van de waarheidsvinding in beslag te nemen, is onduidelijk, aangezien de waarheidsvinding afdoende lijkt te zijn gediend met het opmaken van een proces-verbaal van bevindingen. En zo al moet worden aangenomen dat er een reden was die maakte dat de vaten met diesel, het lege vat en het geld aan een nader onderzoek dienden te worden onderworpen, is niet duidelijk waarom dat nadere onderzoek niet binnen enkele dagen kon zijn afgerond. Dat roept de vraag op of de hulpofficier van justitie, aan wie de kennisgevingen van inbeslagneming in handen moesten worden gesteld om zo mogelijk zelf te beoordelen of het beslag dient te worden gehandhaafd (art. 94 lid 3 Sv jo. art. 116 lid 1 Sv), zijn taak wel naar behoren vervult. Dat roept ook de vraag op welke rol de officier van justitie, die gezien art. 116 lid 1 Sv medeverantwoordelijk is voor de handhaving van het beslag, voor zichzelf ziet weggelegd als het gaat om de vraag hoe te voorkomen dat een gelegd beslag zonder goede grond voortduurt. Erg actief lijkt die rol niet te zijn. Hoewel in de onderhavige zaak over het voortduren van het beslag werd geklaagd, vond de officier van justitie daarin geen aanleiding om zich van de stand van de zaak op de hoogte te stellen. Kennelijk verwachtte hij dat hij met de nietszeggende mededeling dat het onderzoek nog niet was afgerond, bij de beklagrechter wel zou wegkomen. Een verwachting die helaas niet van werkelijkheidszin is gespeend, zoals de onderhavige beschikking lijkt te bevestigen. Dat roept weer de vraag op hoe effective in de praktijk de beklagprocedure is als remedy tegen willekeurige inbeslagneming.

Kritische houding strafrechter

De laatste jaren zijn van de rechtspraak van de Hoge Raad weinig tot geen signalen uitgegaan die de beklagrechter tot een kritische houding aansporen. De Hoge Raad lijkt niet moe te worden in het benadrukken van het gegeven dat de beklagprocedure een summier karakter draagt. Daar komt bij dat, zoals wij zagen, de onrechtmatigheid van de inbeslagneming geen zelfstandige reden meer vormt om het beklag ongegrond te verklaren, terwijl de Hoge Raad voorts meent dat de beslagene niets meer te klagen heeft als zijn spullen op voet van art. 117 Sv zijn vernietigd. Het door de Hoge Raad voorgeschreven criterium van de hoogste onwaarschijnlijkheid ten slotte bevordert bepaald geen indringende toetsing. Voor zover het daarbij gaat om de vraag of er voldoende bewijs is voor een veroordeling,6 valt er, aangenomen dat in elk geval sprake moet zijn van een redelijk vermoeden van schuld, nog wel wat voor te zeggen dat het beklag eerst gegrond is als het hoogst onwaarschijnlijk is dat een veroordeling volgt.7 Maar waarom het beklag pas gegrond is als verbeurdverklaring in geval van een eventuele veroordeling hoogst onwaarschijnlijk is, kan ik eerlijk gezegd niet volgen. Het komt erop neer dat voortzetting van het mogelijk op dubieuze gronden gelegde beslag al gerechtvaardigd wordt door het enkele feit dat er een theoretische mogelijkheid bestaat dat de strafrechter, als hij tot een veroordeling komt, de in beslag genomen voorwerpen zal verbeurdverklaren. In mijn ogen is er meer nodig om het laten voortduren van de inbreuk op het eigendomsrecht ‘noodzakelijk’ te oordelen in de zin van art. 1, Eerste Protocol bij het EVRM. Die inbreuk is pas gerechtvaardigd, zou ik zeggen, als er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat ingeval van een veroordeling verbeurdverklaring zal volgen.8 Dat betekent dat niet alleen getoetst moet worden of aan de wettelijke voorwaarden voor verbeurdverklaring is voldaan, maar ook of verbeurdverklaring gelet op de bestaande straftoemetingspraktijk in de rede ligt. Daarbij zou het feitelijk uitgangspunt niet de situatie moeten zijn waarmee de strafrechter zich ziet geconfronteerd als het beslag voortduurt (‘er ligt nog beslag waarmee we wat moeten’). De vraag zou veeleer moeten zijn of, als het beslag wordt opgeheven, dat door de straf toemetende rechter als een gemis zal worden ervaren. Ik merk daarbij op dat ook voorwerpen die niet in beslag zijn genomen, verbeurdverklaard kunnen worden (zie art. 34 lid 1 Sr). Ik merk ook op dat er andere sancties zijn dan verbeurdverklaring waarmee de verdachte in zijn vermogen kan worden getroffen. Erg groot is de behoefte aan verbeurdverklaring daardoor in veel gevallen niet.

5.13.
Ik spits dit toe op de onderhavige zaak. Zo de strafrechter al zou oordelen dat de diesel het voorwerp van het strafbare feit uitmaakt en dat niet kan worden vastgesteld aan wie die diesel toebehoort (art. 33a lid 2 sub b Sr), dan nog ligt bewaring ten behoeve van de rechthebbende meer in de rede dan verbeurdverklaring.9 Diesel en geld zijn voorts vervangbare gebruiksgoederen zonder bijzondere emotionele waarde, zodat niet goed valt in te zien waarom de verdachte door het verlies van juist deze voorwerpen zwaarder of op andere wijze zou worden getroffen dan door de betaling van de geschatte waarde ervan (art. 34 lid 1 Sr) of door de betaling van een (afroom)boete. Vanuit een oogpunt van straftoemeting heeft de mogelijkheid van verbeurdverklaring in dit geval dus weinig tot geen toegevoegde waarde.

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden