Het belang van strafvordering als weigeringsgrond teruggave in beslag genomen goederen

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het desbetreffende voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen – ook in een zaak betreffende een ander dan de betrokken klager – of wanneer niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen (vgl. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3104). De beklagrechter mag – gelet op het summiere en voorlopige karakter van de raadkamerprocedure – bij zijn oordeel niet ten gronde treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak (HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3310). Dat neemt niet weg dat het beoordelingskader soms vergt dat de rechter blijk geeft van een nadere toets. Bijvoorbeeld – in geval van beklag door een derde die stelt rechthebbende te zijn – van de in art. 33a lid 2 Sr genoemde voorwaarden voor verbeurdverklaring van een niet aan de veroordeelde toebehorend voorwerp (vgl. de conclusie bij HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:19) of van voorwaarden voor onttrekking aan het verkeer als bedoeld in art. 36c en 36d Sr (HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:176).

Het strafvorderlijk belang is niet beperkt tot het Nederlandse strafvorderlijk belang (HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:385).

Overzicht belang van strafvordering

Onder het belang van strafvordering wordt wel begrepen:

  • het belang van waarheidsvinding (HR 1 september 2009, LJN BI4701, NJ 2009, 408),
  • ook in een zaak betreffende een ander dan de klager (HR 20 maart 2001, LJN ZD2496), en
  • ook wat betreft het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in art. 36e Sr (HR 1 september 2009, LJN BI4701, NJ 2009, 408),
  • alsmede het belang van het verwijderen uit het maatschappelijk verkeer van voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen. In laatstgenoemd geval is het criterium of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen (HR 10 maart 2009, LJN BG9151, NJ 2009, 149 en HR 4 december 2012, LJN BY2818), al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b lid 1 onder 4 Sr in verbinding met art. 552f Sv (HR 14 maart 2006, LJN AV0335).

Onder het belang van strafvordering wordt niet begrepen:

  • dat het hoger beroep in de hoofdzaak nog niet is behandeld (HR 4 september 2012, LJN BX4298);
  • dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, teruggave aan een ander dan klager zal gelasten (HR 4 september 2012, LJN BX4278).
  • De omstandigheid dat de officier van justitie heeft aangekondigd dat (t.z.t.) een vordering tot omzetting van het op de voet van art. 94 Sv gelegde beslag in een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag zal worden gedaan, is niet een belang van strafvordering dat zich tegen teruggave van het beslag verzet (HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3711.

Indien geen belang van strafvordering: teruggave goederen

Indien het openbaar ministerie bij de behandeling van het beklag te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave van het beslag verzet, is het beklag gegrond en wordt de teruggave van het beslag aan klager gelast (HR 25 november 2003, LJN AL8421, HR 22 mei 2007, LJN BA1637, NJ 2007, 316, HR 3 januari 2012, LJN BU2053 en HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3424), tenzij een ander dan de klager redelijkerwijs als rechthebbende van het inbeslaggenomen voorwerp moet worden beschouwd en die ander bekend is (HR 22 februari 2011, LJN BO1624). In het systeem van de wet ligt besloten dat de rechter in dit geval, zonder zelf in een beoordeling van het strafvorderlijk belang te treden, op het klaagschrift beslist (HR 28 september 2001, LJN BL2823, NJ 2010, 654, m.nt. PMe).

Indien de rechter – in weerwil van het openbaar ministerie – oordeelt dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet (langer) vordert (HR 11 maart 2008, LJN BC6224) dan is het beklag gegrond en volgt teruggave van het beslag aan klager, tenzij een ander dan de klager redelijkerwijs als rechthebbende van het inbeslaggenomen voorwerp moet worden beschouwd en die ander bekend is (HR 22 februari 2011, LJN BO1624 en HR 13 maart 2012, LJN BU8764).

Motiveringsplicht rechter

De beslissing dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave, dient door de rechter te worden gemotiveerd (HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1687). De rechter zal zich een oordeel moeten vormen op grond van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal. De enkele motivering dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter een inbeslaggenomen geldbedrag later verbeurd zal verklaren, omdat de klager wisselend heeft verklaard over de herkomst van het geldbedrag en onvoldoende heeft aangetoond dat het geld afkomstig is uit onverdachte bron, is ontoereikend. (HR 14 december 2010, LJN BO7233, NJ 2011/10 en HR 10 januari 2012, LJN BT2182; zie ook HR 3 januari 2012, LJN BU2053). Aan de motivering worden overigens – gelet op het summiere karakter van de beklagprocedure – geen hoge eisen gesteld (vgl. HR 5 oktober 2010, LJN BN2300, HR 28 juni 2011, LJN BP9384, HR 28 juni 2011, LJN BP9383 en HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:171).

N.B. op een verzoek om stukken van overtuiging op de zitting te tonen (art. 309 lid 2 jo artt. 328 en 330 Sv) dient op gelijke voet te worden gereageerd als op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ex art. 359 lid 2 Sv (vgl. HR 10 april 2012, LJN BW4150). Als het voorwerp niet langer beschikbaar is, is een dergelijk verzoek lastig te weerleggen.

 

 

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden